Category Archives: blog

Zitten op een gedicht

Richtje Reinsma – naar aanleiding een bezoek aan het Rietveldpaviljoen op maandag 9 mei

Zitten op een gedicht  

‘Urine in het wijwater, margarine in de verf van de schilder!’ ‘Bestaat er een dichtkunst waarop men kan zitten als op een stoel? Waarin men kan rijden als in een auto?’ ‘Dit vind ik dus gruwelijk: De nieuwe wereldbeelding is begonnen!’

Ik ben in De Zonnehof, het tentoonstellingspaviljoen dat Gerrit Rietveld in 1959 bouwde in Amersfoort. Tien acteurs, kunstenaars, muzikanten en twee honden zitten aan de lunch. Twee weken lang dient Rietvelds vierkante gebouw als snelkookpan voor een muzikale voorstelling inclusief tentoonstelling, die is ontstaan uit een door theatergroep Rood Noot geïnititeerde multidisciplinaire samenwerking.
Waar De Stijl te boek staat als ernstige, vooruitstrevende kunstenaarsstroming met strenge geboden, grote pretenties, strakke vormen en een minimaal kleurenpalet, lijkt de door Rood Noot samengebrachte groep acteurs, muzikanten, performers en kunstenaars wars van dogma’s. Ze volgen liever hun intuïtie dan een manifest. Ze voelen de vrijheid om niet alleen het manifest van De Stijl, maar ook alle andere manifesten die pal na de Eerste Wereldoorlog ontsproten op te nemen in hun collage-achtige voorstelling.

Iemand verstaat ‘Armandobomen’ in plaats van amandelbomen. Ze komen uit de auto van kunstenaar Couzijn van Leeuwen, uit een gedicht op de bijrijdersstoel, waar Omeros van Derek Walcott ligt. Ik versta ‘stijlte’ als muzikant Corine Borsje oppert haar stelten mee te brengen. Ze overweegt daarnaast stuiterballen mee te brengen, ook om muziek mee aan het paviljoen te ontlokken.
Wanneer de muziek van de Talking Heads is uitgezet, blijft er een mysterieuze piep in het paviljoen klinken. Het scenografencollectief LABland gaat op jacht, terwijl de acteurs alweer beginnen. ‘Dames en heren, ik heb slecht nieuws: er is niks nieuws onder de zon. De wereld is ongelooflijk eentonig.’ ‘Met kunst kun je niet je tanden poetsen. Op een tomaat kan je niet ten hemel stijgen.’ LABland vindt de piep, het is een trilling die in een van de H-palen van Rietveld is blijven hangen. Na handoplegging wordt het stil.

Sinds kort weet ik wat ekphrasis betekent – de uitgebreide beschrijving van een kunstwerk in tekst. Of er ook een fraai begrip is voor ‘de beschrijving van een kunstwerk in wording’ weet ik niet.
Wel weet ik nu dit. Mondriaan ontwierp een decor voor het antitheaterstuk ‘L’ephémère est éternel’ van zijn vriend Michel Seuphor. Het stuk werd niet opgevoerd, en dat zou wellicht ook knap ingewikkeld geweest zijn. Want Mondriaan lapte het fundament van de scenografie aan zijn laars, vertelt Sofie Doeland (LABland). Zijn maquette getuigde van een totaal gebrek aan dienstbaarheid aan de acteurs en het toneelstuk, het decor domineerde het toneel. Labland genoot van het idee van een decor dat de onrust van bewegende lichamen niet kan verdragen. Het idee van verdwijnkostuums ontstond, waarin acteurs worden uitgevlakt.
Verder weet ik nu, dat de randfiguren van De Stijl minstens zo interessant, zo niet interessanter waren dan de protagonisten. Zoals Antony Kok, (on)bekend van de uitspraak ‘Ik ben maar zelden goed bij stem’ en schilder en graficus H.N. Werkman, ‘een man van wie nog alles te verwachten viel’ toen hij in ’45 vermoord werd door de Sicherheitsdienst.
Ik weet zeker niet wat ik vrijdag mag verwachten als ik de voorstelling bezoek. Maar ik vermoed dat de mannen van De Stijl zoals ik ze tot dusver in mijn hoofd bewaarde hun vierkante vormen en primaire kleuren zullen gaan verliezen. En ik stel mij voor hoe zij aan dimensie zullen winnen door te verschijnen als ‘mannen van’. Mannen van onder andere vrouwen, die natuurlijk ook een tijdsbewustzijn en een levensopvatting van de wereldkamp hadden, en deelnamen aan de geestelijke en materiële strijd om de grondslag van de nieuwe beelding te leggen.

‘Het is een luxe om, gezeten in de loge van de toekomst van toen, naar al die stemmen van het verleden van nu te luisteren. Stemmen van acteurs die voor het grootste deel verdwenen zijn, maar waarvan de bezwerende, betogende, ironische, tegensprekende, overtuigende toon gebleven is,’ schreef Cees Nooteboom over de vurig manifesten schrijvende architecten en kunstenaars van het interbellum, die zo onvoorstelbaar veel vertrouwen hadden in een betere, maakbare toekomst. De Eerste Wereldoorlog heette immers nog de Grote Oorlog.
Een vriend vertelde me laatst over de ‘Taart der Kennis’ (‘Pie of Knowledge’): een taartdiagram waarin ‘alle kennis van het universum’ wordt afgezet tegen ‘alle menselijke kennis’. Er zijn drie taartpunten: een minieme, een bescheiden en een reusachtige punt. Het kleinste taartpuntje zou de kennis tonen waarvan je weet dat die bezit; de wat grotere de omvang van de kennis waarvan je weet dat je die niet bezit; en de allergrootste drukt uit wat je niet weet dat je niet weet. Het is de kunst, zei mijn vriend, om niet alleen uit te zijn op het vergroten van je bewuste kennis, maar vooral ook de kennis van wat je weet dat je niet weet.
Op weg naar huis met een hoofd vol stijle stemmen uit begin vorige eeuw voel ik mijn kennistaartpunten zachtjes piepend een klein stukje verschuiven. Er is een nieuwe wereldbeelding begonnen. Ik voel dat de tijd nadert dat ik op een gedicht zal kunnen zitten als op een stoel.