Tag Archives: stijl

Denk niet aan De Stijl!

een mooi verslag van Richtje Reinsma die STIJL zag op 12 mei

Denk niet aan De Stijl! 

‘Zo heb ik nog nooit gespeeld,’ onderbreekt acteur Peter Kolpa zichzelf aan het begin van de voorstelling De Stijl. Kolpa staat te midden van een woest decor dat geen voor- of achterkant lijkt te hebben, terwijl zijn publiek zich hoog boven hem bevindt en hem van drie zijden inlijst vanachter een balustrade. We zijn in het Rietveldpaviljoen in Amersfoort, waar theatergezelschap Rood Noot samen met een gelegenheidscoalitie van scenografen, kunstenaars, muzikanten, acteurs en hun honden op locatie een voorstelling heeft voorbereid ter viering van 100 jaar De Stijl.

De verwarring van Kolpa spiegelt die van het publiek. De voorstelling vormt eerder een verzet tegen De Stijl dan een huldiging ervan, en lapt gangbare toneelwetten aan zijn laars. Er is geen scenario, geen structuur, geen andere afspraak dan dat er gezamenlijk geïmproviseerd zal worden op basis van een verzameling teksten en zelfgemaakte rekwisieten in een deels flexibel decor.
De manifestatie schijnt geen andere grenzen te kennen dan die van het gebouw. Daarbinnen hoort alles wat er gebeurt erbij. Er zijn geen coulissen, er is geen podium, de stoelen voor het publiek zijn facultatief en staan bij aanvang opgeklapt tegen een muur. De acteurs worden uit- en aangekleed onder de neus van het publiek, de scenografen passen het decor en de belichting aan terwijl de voorstelling speelt, de muzikanten verplaatsen de piano en het drumstel halverwege de avond naar het midden van de ruimte.
De Stijl vertolkt door Rood Noot is een viering van de ontregeling, een woeste ontmanteling van het type stelligheid waar de mannen van De Stijl en hun manifestenschrijvende collega-avantgardisten patent op hadden. ‘Het voornemen verpest alles,’ zegt een acteur op zeker moment. Het zou het credo van de avond kunnen zijn. Dit stuk is een waagstuk, een collectieve en multidisciplinaire improvisatie. Dat vergt grote oplettendheid tussen de performers onderling. Ze houden elkaar dan ook nauwlettend in het oog, hun blikken trekken continu nerveuze lijnen door de ruimte. Wij, de toeschouwers, zitten in een web van kruisende blikken.

Soms zijn het nauwelijks scènes te noemen, de situaties die in en uit elkaar schuiven tijdens de zoektocht naar vorm, waarbij elke vondst maar kort wordt benut of benoemd en dan weer losgelaten. Het is een eb en vloed van concentratie en ruis, van treffende en rommelige momenten. Ik hoor Joep Hendrikx tegen actrice Myrthe Boersma zeggen: ‘Je kan niet aan niks denken. Maar: denk niet aan De Stijl! Niet aan De Stijl denken!’
Na afloop van de voorstelling krijg ik net zo min vat op wat ik heb meegemaakt als tijdens. Is dit nu een interessante mislukking of een geraffineerd succes? Vormden de scheve ogenblikken dat we niet samen ‘in het moment’ zaten het noodzakelijke contrast met de rake momenten waarop we dat wel deden? Is onvoorspelbaarheid per definitie spannend? In dit geval is het dat wel, al is het wennen om een acteur om de haverklap tijdens de voorstelling te horen zeggen dat hij zenuwachtig is.

Kunstenaar Couzijn van Leeuwen, die schitterende papieren en kartonnen kostuums, meubelstukken en wanden voor de voorstelling maakte, vraagt in het voorbijgaan: ‘Is het een beetje wat je in gedachten had?’ ‘Ik had niets in gedachten!’ zeg ik terug. Maar dat is natuurlijk niet waar. Het gekke met verwachtingen is juist, dat je vaak pas met terugwerkende kracht merkt dat je ze kennelijk hebt gehad, als ze niet blijken te zijn uitgekomen. Toch kom je er niet meer achter wat ze dan precies inhielden. Deze voorstelling onttrekt zich doelbewust aan verwachtingen. Zowel die van het publiek als van de optredende makers. Dat is paradoxaal genoeg precies de bedoeling.
Ik ben benieuwd of dit herhaalbaar is, niet letterlijk maar qua effect. Niet helemaal natuurlijk. Of toch? De voorstelling eindigt als Kolpa aan een toeschouwer vraagt: ‘Hoe laat is het eigenlijk?’ Het blijkt tien uur. ‘Best laat…’ overweegt Kolpa. ‘Het lastige is, hoe brei je er een eind aan?’ Een van de muzikanten zegt troostend: ‘Je kan morgen opnieuw beginnen. Het is maar even afgelopen.’ Het publiek begint aarzelend te klappen. De acteurs heffen in koor een weemoedig gejank aan.

 

STIJL – vrijdag 12 mei

STIJL vrijdag 12 mei. Rietveldpaviljoen Amersfoort. Foto’s Baldwin Henderson

STIJL – vooraf

Voor STIJL 10-12 mei. Rietveldpaviljoen Amersfoort. Foto’s Baldwin Henderson

Zitten op een gedicht

Richtje Reinsma – naar aanleiding een bezoek aan het Rietveldpaviljoen op maandag 9 mei

Zitten op een gedicht  

‘Urine in het wijwater, margarine in de verf van de schilder!’ ‘Bestaat er een dichtkunst waarop men kan zitten als op een stoel? Waarin men kan rijden als in een auto?’ ‘Dit vind ik dus gruwelijk: De nieuwe wereldbeelding is begonnen!’

Ik ben in De Zonnehof, het tentoonstellingspaviljoen dat Gerrit Rietveld in 1959 bouwde in Amersfoort. Tien acteurs, kunstenaars, muzikanten en twee honden zitten aan de lunch. Twee weken lang dient Rietvelds vierkante gebouw als snelkookpan voor een muzikale voorstelling inclusief tentoonstelling, die is ontstaan uit een door theatergroep Rood Noot geïnititeerde multidisciplinaire samenwerking.
Waar De Stijl te boek staat als ernstige, vooruitstrevende kunstenaarsstroming met strenge geboden, grote pretenties, strakke vormen en een minimaal kleurenpalet, lijkt de door Rood Noot samengebrachte groep acteurs, muzikanten, performers en kunstenaars wars van dogma’s. Ze volgen liever hun intuïtie dan een manifest. Ze voelen de vrijheid om niet alleen het manifest van De Stijl, maar ook alle andere manifesten die pal na de Eerste Wereldoorlog ontsproten op te nemen in hun collage-achtige voorstelling.

Iemand verstaat ‘Armandobomen’ in plaats van amandelbomen. Ze komen uit de auto van kunstenaar Couzijn van Leeuwen, uit een gedicht op de bijrijdersstoel, waar Omeros van Derek Walcott ligt. Ik versta ‘stijlte’ als muzikant Corine Borsje oppert haar stelten mee te brengen. Ze overweegt daarnaast stuiterballen mee te brengen, ook om muziek mee aan het paviljoen te ontlokken.
Wanneer de muziek van de Talking Heads is uitgezet, blijft er een mysterieuze piep in het paviljoen klinken. Het scenografencollectief LABland gaat op jacht, terwijl de acteurs alweer beginnen. ‘Dames en heren, ik heb slecht nieuws: er is niks nieuws onder de zon. De wereld is ongelooflijk eentonig.’ ‘Met kunst kun je niet je tanden poetsen. Op een tomaat kan je niet ten hemel stijgen.’ LABland vindt de piep, het is een trilling die in een van de H-palen van Rietveld is blijven hangen. Na handoplegging wordt het stil.

Sinds kort weet ik wat ekphrasis betekent – de uitgebreide beschrijving van een kunstwerk in tekst. Of er ook een fraai begrip is voor ‘de beschrijving van een kunstwerk in wording’ weet ik niet.
Wel weet ik nu dit. Mondriaan ontwierp een decor voor het antitheaterstuk ‘L’ephémère est éternel’ van zijn vriend Michel Seuphor. Het stuk werd niet opgevoerd, en dat zou wellicht ook knap ingewikkeld geweest zijn. Want Mondriaan lapte het fundament van de scenografie aan zijn laars, vertelt Sofie Doeland (LABland). Zijn maquette getuigde van een totaal gebrek aan dienstbaarheid aan de acteurs en het toneelstuk, het decor domineerde het toneel. Labland genoot van het idee van een decor dat de onrust van bewegende lichamen niet kan verdragen. Het idee van verdwijnkostuums ontstond, waarin acteurs worden uitgevlakt.
Verder weet ik nu, dat de randfiguren van De Stijl minstens zo interessant, zo niet interessanter waren dan de protagonisten. Zoals Antony Kok, (on)bekend van de uitspraak ‘Ik ben maar zelden goed bij stem’ en schilder en graficus H.N. Werkman, ‘een man van wie nog alles te verwachten viel’ toen hij in ’45 vermoord werd door de Sicherheitsdienst.
Ik weet zeker niet wat ik vrijdag mag verwachten als ik de voorstelling bezoek. Maar ik vermoed dat de mannen van De Stijl zoals ik ze tot dusver in mijn hoofd bewaarde hun vierkante vormen en primaire kleuren zullen gaan verliezen. En ik stel mij voor hoe zij aan dimensie zullen winnen door te verschijnen als ‘mannen van’. Mannen van onder andere vrouwen, die natuurlijk ook een tijdsbewustzijn en een levensopvatting van de wereldkamp hadden, en deelnamen aan de geestelijke en materiële strijd om de grondslag van de nieuwe beelding te leggen.

‘Het is een luxe om, gezeten in de loge van de toekomst van toen, naar al die stemmen van het verleden van nu te luisteren. Stemmen van acteurs die voor het grootste deel verdwenen zijn, maar waarvan de bezwerende, betogende, ironische, tegensprekende, overtuigende toon gebleven is,’ schreef Cees Nooteboom over de vurig manifesten schrijvende architecten en kunstenaars van het interbellum, die zo onvoorstelbaar veel vertrouwen hadden in een betere, maakbare toekomst. De Eerste Wereldoorlog heette immers nog de Grote Oorlog.
Een vriend vertelde me laatst over de ‘Taart der Kennis’ (‘Pie of Knowledge’): een taartdiagram waarin ‘alle kennis van het universum’ wordt afgezet tegen ‘alle menselijke kennis’. Er zijn drie taartpunten: een minieme, een bescheiden en een reusachtige punt. Het kleinste taartpuntje zou de kennis tonen waarvan je weet dat die bezit; de wat grotere de omvang van de kennis waarvan je weet dat je die niet bezit; en de allergrootste drukt uit wat je niet weet dat je niet weet. Het is de kunst, zei mijn vriend, om niet alleen uit te zijn op het vergroten van je bewuste kennis, maar vooral ook de kennis van wat je weet dat je niet weet.
Op weg naar huis met een hoofd vol stijle stemmen uit begin vorige eeuw voel ik mijn kennistaartpunten zachtjes piepend een klein stukje verschuiven. Er is een nieuwe wereldbeelding begonnen. Ik voel dat de tijd nadert dat ik op een gedicht zal kunnen zitten als op een stoel.