‘Op een dag ga ik zitten en schrijf proza, of ik ga zitten en schrijf iets heel anders. De ene keer merk je dat je zin hebt in het een en de andere keer in het ander. Ik heb geen concept zoals iemand als Heimito von Doderer. Dat was een man die zijn boeken ontwierp, hij bouwde zijn boeken als een architect, op de tekentafel en in verschillende kleuren: positieve hoofdstukken, geloof ik, schreef hij in het groen en negatieve – die kwamen trouwens nauwelijks voor – in het rood. Hij noemde een van zijn boeken De Demonen. Ik heb er alleen nooit een demon in kunnen vinden.’
‘Ik verberg niets, ik wil niets, ik wil me niet anders voordoen dan ik ben, niet mooier en ook niet slechter. Daar heeft niemand anders zich mee te bemoeien. De pan blijft voor iedereen openstaan maar welk vet erin wordt gegooid, in de pan, en vervolgens het worstje, daar heeft niemand iets mee te maken. En als je zegt: het zal me worst zijn, die worst, dan is het ook worst.’
‘Mijn mooiste herinneringen zijn die wandelingen met mijn grootvader, urenlange wandelingen door de natuur waarbij wij duizend en één waarnemingen deden, iets wat mijn grootvader bij mij wist te ontwikkelen tot een waarnemingskunst. Aandachtig keek ik naar alles wat mijn grootvader mij aanwees en uitlegde en ik kan die tijd met een gerust hart als enige nuttige en voor mijn hele verdere leven bepalende school zien die ik ooit bezocht heb, want hij was het en niemand anders die mij het leven heeft geleerd, mij er mee vertrouwd heeft gemaakt, door mij eerst met de natuur vertrouwd te maken. Alles wat ik weet is terug te voeren op deze man die mij hele leven en bestaan heeft bepaald, een man die zelf door de school van Montaigne was gegaan, zoals ik door de zijne ben gegaan.’
uit: Thomas Bernhard De Oorzaak (1977 Arbeiderspers Amsterdam)
‘de waard brengt voor mij een omelet ham met een berg sla, ik begin meteen te eten, te prakken, mijn mond vol te proppen, in zeven of acht happen is de omelet verdwenen,
zo kun je toch geen omelet eten […]
de waard brengt nog een omelet, met een iets minder bruin korstje’
‘Mijn grootvader had me alle mogelijkheden om de brug ineen te doen storten gedemonstreerd. Met springstof kon je alles vernietigen, als je maar wilde. Begrijp je, zei hij, in theorie vernietig ik elke dag alles. In theorie was het elke dag en op elk gewenst moment mogelijk alles te verwoesten, ineen te doen storten en van de kaart te vegen. Deze gedachte vond hij het meest grandioos. Zelf maakte ik me deze gedachte eigen en speel er heel mijn leven mee. Ik dood wanneer ik wil, ik laat ineenstorten wanneer ik wil. Ik vernietig wanneer ik wil. Ik vernietig wanneer ik wil. Maar theorie is enkel theorie, zei mijn grootvader en stak vervolgens zijn pijp aan.’
uit: Thomas Bernhard Een Kind (vert. P.P.J. Klinkenberg – Arbeiderspers 1984)



